Vrijzinnige Geloofsgemeenschap
Hattem

 

Anne van der Meiden viert 80e verjaardag in Hattem

 

 

 Vrijzinnig? Nieuws Diensten Diensten Contact! Recensies Het goede doel Links Terug

 

  

   

  

 

De Recensie van de Leek

 

 

Titel: Geloven, zo kan het ook

Auteur: diverse auteurs; Erik Jan Tillema en Wies Houweling (red.)

Uitg: Skandalon, Vught (2011) (ook te bestellen bij de Land. NPB, Thorbeckegracht in Zwolle)

ISBN: 978-94-90708-37-5

 

Tijdens de jaarvergadering eind november j.l. van de landelijke NPB in de Woudkapel in Bilthoven werd door Wies Houweling en Erik Jan Tillema het boekje “Geloven, zo kan het ook” ten doop gehouden; een boekje waarin 17 voorgangers van de NPB hun visie geven op verschillende geloofsonderwerpen.

Vaak wordt de NPB verweten alleen maar te kunnen uitleggen wat ze allemaal NIET geloven, in het voorliggende boek is vooral geprobeerd aan te geven waarin deze vrijzinnige voorgangers nu wél in geloven.

 Door de veelheid van onderwerpen: van de schepping via god en hemel, en ook via kerk, Maria en Jezus naar de opstandig en het laatste oordeel, wordt een bijna caleidoscopisch overzicht gegeven van het gedachtegoed van de vrijzinnigen. In die zin is het haast een soort catechismus. En als je het zo bekijkt voegt het boekje zich naadloos in een klein rijtje andere boeken die de afgelopen jaren zijn verschenen en die je in die traditie zou kunnen zetten:

  • “Ik geloof het wel”, door Annemiek Schrijver en Hein Stufkens; (door mij eerder besproken)
  • “Geloven op jaarbasis” door Anne van der Meiden;  (door mij eerder besproken)
  • de “Doornse Catechismus”, door dertien predikanten uit de groep “Op Goed Gerucht” binnen de PKN;
  • de “Catechismus van de Compassie”,  door Ad Alblas en Christiane Berkvens-Stevelinck

 Allemaal bestrijken ze in heel grote lijnen de kernpunten van het geloof en geven daar hun eigen visie op.

Qua opzet lijken de “Doornse catechismus” en “Geloven zo kan het ook” nog het meest op elkaar. Beide zijn immers geschreven door groepen voorgangers uit de bewuste stroming, en beide geven hoogstpersoonlijke invullingen aan kern-onderwerpen uit het christelijk geloof. Daarbij geeft de Doornse Catechismus steeds door één schrijver een onderwerp  middels een theologische en een spirituele beschouwing, terwijl binnen “Geloven,zo kan het ook” één onderwerp door meerdere schrijvers beken kan worden.

 Het boek van Anne van der Meiden valt er een klein beetje buiten, alhoewel het ook alle hoofdonderwerpen van het geloof onder de loep legt, en per onderwerp duidelijk maakt wat zo langzamerhand weggegooid kan worden dan wel behouden moet blijven. De structuur ervan is immers dat de onderwerpen verdeeld zijn over 12 maanden (elke maand een fors onderwerp) en daarbinnen dan weer per maand verdeeld over de dagen van die maand.

 Het boek “de Catechismus van de compassie” gaat niet zo zeer over geloofsonderwerpen zoals de schepping, de hemel, de hel, het bestaan van God, is god een projectie, kan ik God kennen, is Jezus lichamelijk opgestaan, waar de andere catechismussen vol mee staan, maar bespreekt christelijke waarden: compassie, vergeving, liefde, waarheid, rechtvaardigheid, bezien vanuit de Europese cultuur en vanuit de theologie. Het is gebaseerd op het “Charter for Compassion”, geïnspireerd door Karen Armstrong, dat is overgenomen en ondersteund door o.a. de Dalai Lama en andere geestelijke en wereldlijke leiders (waaronder Herman Wijffels).

NB: Op maandagavond 5 maart om 20.00 uur komen Ad Alblas en Christiane Berkvens over hun prachtige en zeer inspirerende boek praten in Hattem in ons kerkgebouw aan de Sparrenlaan.

 Maar terug naar “Geloven, zo kan het ook”. Het geeft dus, net als de Doornse Catechismus een aantal hoofdpunten uit de christelijke leer, maar dan vrijzinnig bekeken. Foekje Dijk  bespreekt “Mijn God”en Mijn Hemel”, terwijl Aart van Lunteren het heeft over “Ik geloof (niet) in de lichamelijke opstandig van Jezus”. Ook de bij ons bekende Jeanne Traas Hageman en Ivo de Jong ontbreken niet in dit boekje.

 Sommige beschouwingen zijn kort en lezen vlot weg, er zijn ook bij waar je wel even voor moet gaan zitten en over moet nadenken. Maar al met al geeft het een heel boeiend inzicht wat je nu van een groot aantal voorgangers mag verwachten en waar die voor staan; en dus ook waar wij als afdeling voor staan(?).

 Het boek is geïllustreerd met een aantal cartoons van Auke de Vries die soms zeer fraai en humoristisch zijn. Mijn favoriet is die op de omslag met de kerk, waar allemaal kleine éénpersoons kerkjes uit weglopen. Prachtig!

Het boek is niet duur, een Euro of 14, afhankelijk of je het nu snel bestelt bij de Thorbeckegracht of later via de boekhandel.

 Ik kan het iedereen van harte aanbevelen.

 Reinier Katgert.

 

 

 

Titel: geloven op jaarbasis

Auteur: Anne van der Meiden

Uitgever:Meinema, Zoetermeer

ISBN: 978 90 211 4291 3.

Prijs: €25,00

  

Toen ik afgelopen juli mevrouw Nijlunsing weer eens naar huis bracht op zondagmorgen vroeg ze mij of ik het laatste boek van Anne van der Meiden al kende. Ik vroeg natuurlijk welk boek ze bedoelde, en ze zei dat het ging om een boek met voor elke dag een stukje. Ik dacht dat ze een boek bedoelde dat hij een jaar of 5 geleden had geschreven, ook met voor elke dag een stukje. Maar nee, zei ze, het was dit voorjaar uitgekomen en haar zoon had haar er op gewezen; er had een bespreking gestaan in het Fries Dagblad. En nu las ze het met veel plezier.

Thuisgekomen bleek dat het boek bij Bol te krijgen was, dus binnen een paar dagen was het in huis.

De flaptekst is kennelijk door de auteur zelf geschreven en geeft heel goed weer wat er in het boek gebeurt.

Dit boek verslaat een wandeling door de krochten van onze geest. U passeert 366 prikkelende gedachten over de opschudding en herwaardering van ons religieus erfgoed, geschreven in een ruimzinnige toonaard. Onderweg onderzoeken we de religieuze bagage die we meekregen: wat kunnen we beter ontsokkelen, loslaten of parkeren? Wat willen we herwaarderen, verrijken met nieuwe visies? Hoe helpen we elkaar af van waarheidsclaims en hoe steunen we elkaar bij de opsporing van nieuw elan? We staan stil bij de vraag welke vormen we daar concreet bij kunnen kiezen. En wellicht kunnen we elkaar helpen bij het veroveren van nieuwe creativiteit. Wandel kritisch mee. Op oudejaarsavond weten we samen meer!

Strikt genomen is het geen dagboek, maar een maand-boek. Hij heeft gekozen voor 12 thema’s, die hij wel elk in hapklare brokjes hakt van porties voor één dag. Dat maakt het heel behapbaar om te lezen.  Voor mij was dat niet nodig geweest; ik heb het gewoon achter elkaar uitgelezen en genoten..

 

De thema’s die hij behandelt zijn achtereenvolgens:

Januari: loslating en gezagscrisis

Februari: geloven waar je woont

Maart: de eerlijkheid gebiedt…

April: de communicatie van veranderingen, godsbestaan en godsbeelden

Mei: Jezus van Nazareth

Juni: wat moeten we eigenlijk met de kerk?

Juli: voorzienigheid, wereldregering, koninkrijk Gods en het eeuwig leven

Augustus: geloven en bidden

September: geest, geestesgaven, boze geesten en goede geesten

Oktober: zonde, schuld, vergeving en straf

November: normen en waarden

December: losse einden.

 

Voorwaar een fraai rijtje met onderwerpen waar veel over gezegd kan worden en dat doet hij dan ook met een heerlijk losse toon. (alleen het woord “ontsokkelen” al!)

Ik geef zomaar een voorbeeld: op 3 maart schrijft hij:

Een paar voorbeelden die aantonen hoe dubbel er soms omgegaan wordt met de “waarheid”. Geen enkel bevindelijk reformatorisch mens zal zijn vrouw behandelen zoals in het oude testament beschreven staat. Hij heeft ook geen slaven, hij houdt er geen gelegitimeerde minnaressen op na, hij loopt niet met een schaap naar de kerk op zondag om het te laten slachten, hij hakt geen handen af, hij vervloekt zijn kinderen niet en helpt niet zijn overspelige dochter te stenigen. Daarentegen gelooft hij wel in een hemel en een hel voor stervelingen, waar geen spoor van te vinden is in het Oude Testament. Fundamentalistische christenen besnijden niet meer, maar funderen hun doop op die oude Joodse rite…….Ze zweren wel eden, eten van het verstikte, veroordelen hun broedersw el en kleden Jezus geheel aan met dogmatische gewaden, want zo is de rabbi minder lastig met zijn scherpe eisen. En wat gebiedt de eerlijkheid dan? Openheid van zaken!

En op 4 maart geeft hij dan die openheid.

 

En zo gaat hij op luchtige maar tegelijk o zo serieuze toon door alle onderwerpen heen. Hier en daar verwijzend naar andere vroegere (Robinson, Banning) en latere bronnen( bijv. de zojuist uit gekomen “Doornse Catechismus” van de PKN-groepering “Op Goed Gerucht”).

 Aan het eind raadt hij ons aan een opschrijfboekje (hij noemt het een rapiarium*) naast ons bed op het nachtkastje te leggen (mét een pen natuurlijk) om onze eigen ontsokkelingen en parkeer-zaken ook bij te houden en zo tot een herwaardering van ons eigen geloof te komen en die bevindingen vooral ook met anderen te delen; niet om die ander ermee te beoordelen, maar om elkaar ermee te verrijken.

 Dit rapiarium van Anne van der Meiden met zijn ontsokkeling en her-bezinning heeft mij in ieder geval verrijkt!

 Reinier Katgert

 

·      een rapiarium is volgens van Dale een boekje waarin middeleeuwse kloosterlingen  uitgezochte citaten en spreuken noteerden.

 

PS. Het blijft jammer dat zijn boekje “een ander fundament”  uit 1986 niet wordt herdrukt!

 

 

 

De recensie van de Leek

 

Titel: The chalice of blood.

Auteur: Peter Tremayne

Uitg: Headline Books. 2010

ISBN 978-0-7553-5776-5

 

Dit boek is inmiddels nummer 18 van de serie detectives geschreven door Peter Tremayne,  gesitueerd in het Ierland van de 7e eeuw van onze jaartelling, met als speurders de Ierse non Sister Fidelma en haar Saksische partner broeder Eadulf.

 Dit keer gaat het om een monnik die dood aangetroffen wordt net nadat hij is teruggekeerd van een pelgrimage naar het Heilige Land.

 Ik heb al eerder deze bijzondere detectiveverhalen besproken in Drie-luik. De reden dat ik er nu weer aandacht voor vraag is omdat het mysterie in dit geval gebaseerd is op een ketterij die ik nog niet kende. Niet dat ik nou speciaal ketterijen “spaar”, maar dit verhaal kende ik nog niet, terwijl het al in de 2e eeuw AD beschreven is door de grieks-romeinse auteur Celsus in zijn boek “Alethos Logos” (het Ware Woord) zoals geciteerd door kerkvader Origenes in zijn boek “Contra Celsum”, geschreven omstreeks het jaar 248.van onze jaartelling.

 Het mysterie in deze detective heeft te maken met het feit dat de vermoorde broeder werd geconfronteerd met een heel andere verhaal over de geboorte van Jesus dan het gebruikelijke verhaal uit de evangeliën.

 Het is het verhaal dat in Palestina in het jaar 4 BC de opstandige stad Sepphoris (dichtbij Nazareth) door een leger onder aanvoering van de Romeinse gouverneur Varus verwoest is. Daarbij werd een groot aantal mannen gekruisigd en werden veel vrouwen verkracht. Deze opstand en de verwoesting van Sepphoris is beschreven door de Joodse historicus Flavius Josephus (die leefde van AD 37 tot na AD 93). Eén van die verkrachte vrouwen was ene Miriam, dochter van Anna en Joachim (volgens apocriefe bronnen waren dat de namen van de  ouders van Maria) . De verkrachter zou ene “Abdes Pantera” zijn, een uit de stad Sidon afkomstige Phoenicische boogschutter, die diende in het leger van Varus.

Uit die verkrachting zou een zoon geboren zijn: Yeshua ben Pantera. Celsus stelde in zijn boek “Alethos Logos” dat deze Yeshua ben Pantera dezelfde zou zijn als Jezus van Nazareth, maar dat het niet om een verkrachting ging maar om overspel!

Origenes citeert het volgende uit het werk van Celsus: Toen zij (Maria) zwanger werd, werd zij door de timmerman met wie zijn verloofd was buiten de deur gezet, omdat zij zich schuldig gemaakt had aan overspel en dat zij een kind ter wereld bracht van een soldaat met de naam Pantera.

 Deze oude overlevering heeft 150 jaar geleden een nieuwe draai gekregen. In 1859 is bij Bingen (aan de Rijn tegenover Koblenz) binnen de oude Romeinse grensvesting Bingium een grafmonument gevonden van ene Abdes Pantera, boogschutter uit Sidon, die na vele jaren trouwe krijgsdienst het Romeins staatsburgerschap had verkregen en die zich Tiberius Julius Abdes Pantera mocht noemen. Hij blijkt volgens de inscriptie geleefd te hebben van 22 BC tot 40 AD (en was dus 18 toen de stad Sepphoris werd verwoest) en had het gebracht tot vaandeldrager. Hij behoorde tot de legioenen die Varus gediend hadden zowel in Palestina  als later  bij de grens in Duitsland, en hij had kennelijke de nederlaag in het Teutoburger woud overleefd; het was immers dezelfde Varus die door de Germaanse generaal Arminius in het jaar AD 9 in de pan werd gehakt in het Teutoburgerwoud; waarop de Keizer geroepen zou hebben: “Varus Varus, geef mij mijn legioenen terug!”

 Het grafmonument van Abdes Pantera bevindt zich tegenwoordig in het Schlossparkmuseum in Bad Kreuznach in Duitsland.

 

 Ik vond het vorige boek uit de serie “The dove of death” teleurstellend, het was allemaal net te ver gezocht. Met dit 18e deel van de serie heeft de schrijver zich goed gerevancheerd.

Een groot deel van de serie is inmiddels ook in het Nederlands vertaald.

 

Reinier Katgert

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Titel: David en Salomo

Auteurs: Israel Finkelstein en Neil Silberman

Uitg.: Synthese, Rotterdam 2010, 335 pagina’s

ISBN 978 90 6271 027 0

 

In de laatste dagen van 2007 schreef ik ook een “recensie van de leek” voor het januarinummer van

3-luik over het boek “De Bijbel als mythe” van de heren Finkelstein en Silberman.

Daarin ontrafelden deze beide eminente archeologen tal van vraagstukken omtrent de historiciteit van een groot aantal “historische gebeurtenissen”uit de bijbel. In die recensie noemde ik ook het gegeve4n dat in de tijd dat David en Salomo leefden het plaatsje Jeruzalem niet veel meer was dan een dorp en dat daar nooit de rijkdom en weel kan hebben bestaan die van David en Salomo wordt omschreven en dat het verhaal van de Tempel ook niet meer is dan een fraaie mythe.

 In hun huidige boek, dat overigens al van 2006 dateert, gaan de beide auteurs dieper in op de mythevorming van David en Salomo. Alle koningen van de dynastie v an David en Salomo w9orden ook in niet-bijbelse bronnen genoemd, behalve… David en Salomo. De geboekstaafde dy6nastie begint bij de zoon van Salomo: Rechabeam die regeerde van 931 tot 914 voor Christus. Van David en Salomo kunnen dus geen jaartallen worden geconstrueerd. Wel wordt gezegd dat beide 40 jaar regeerden. Maar dat is een mythisch getal, dat terug gaat op een oude astrol0gische verering van Venus, die planeet die in 40 jaar zijn stervormige cyclus voltooit.

David en Salomo regeerden dus rond het begin van de 10e eeuw voor Christus ( zo ongeveer van 1020 to 940 BC)

De auteurs gaan niet alleen na wat er aan archeologisch bewijs voor David en Salomo is gevonden, maar gaan tevens in op de wijze waarop de verhalen over David en Salomo zijn ontstaan en in de loop van de jaren van vorm en inhoud wisselden.

 Zo heet het eerste hoofdstuk over David: “bandietenverhalen” over een jonge herder, die weliswaar een reus doodt, maar die vervolgens moet vluchten voor de jalousie van de koning. Zo wordt hij roverhoofdman die je haast kunt zien als een voorloper van Robin Hood, hij steelt van de rijken om aan de armen te geven.

 Het verhaal over de strijd met Goliath is een typisch voorbeeld van de soort anachronismen waar deze verhalen vol van zitten: de wapenrusting van Goliath is een precieze beschrijving van de wapenrusting van een Griekse huursoldaat uit de 6e eeuw voor Christus, zoals die door de Filistijnen in die periode werden ingehuurd. Dat is dus een heel late versie van het verhaal.

 In eerdere versies werden de grenzen van Israel aangegeven door de lijsten van stad-staten die ertoe behoorden. Dat blijken precies de grenzen te zijn die bestonden in de tijden dat Omri en zijn nakomelingen, ruim honderd jaar na D en S , regeerden.

 De beschrijving van het hof van Salomo en de rijkdommen de ambtenarij en de enormiteit van de legers  kunnen ook niet bestaan hebben in die tijd. Er is geen enkel bewijs dat Juda in die tijd een geletterde bevolking  had, laat staan een ambtenarenkaste. Bewijzen van geletterdheid (kleitabletten, zegelringen met inscripties etc.) worden pas gevonden rond 800 BC. De hofhouding zoals die bij Salomo beschreven wordt, bestond pas ten tijde van koning Manasse (698-642 BC). En de verhalen over de internationale handel en contacten van Salomo blijken zich af te spelen in de tijd van de Assyrische 0verheersing, (rond 600 BC). En zo zijn er nog meer anachronismen aan te wijzen.

Het is de literaire variant van de schilderkunst in de middeleeuwen en later, toen bijbelse figuren werden geschilderd in 14e eeuwse kleding, met dito schoene en hoeden etc.; men schilderde het verleden met het palet van de eigen tijd…..

 De auteurs maken aannemelijk dat zowel in Juda (waar de David-verhalen ontstonden) als in het noordelijke Israël, (waar de Saul-verhalen ontstonden) steeds nieuwe verhoudingen ontstonden waardoor de beide tradities aan elkaar gekoppeld moesten worden en soms moesten worden herschreven, omdat de macht was verschoven van de Israëlieten naar de Judeërs of omgekeerd.

 In een aantal appendices gaan ze nog in op preciezere punten, waarbij in elk geval blijkt dat er in 1993 een inscriptie is gevonden op een stéle van een aramese koning Hazaël aan het eind van de 9e eeuw BC waarin wordt herdacht dat hij een koning van Israël en diens bondgenoot “uit het huis van David” heeft gedood.  Ook al is er dus historisch gezien geen bewijs voor het bestaan van David,  al in de 9e eeuw bestond er kennelijk een vorstenhuis dat zijn oorsprong  en wettigheid aan David toeschreef.

 Ik vond het een buitengewoon boeiend boek.

 Reinier Katgert

-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Een paar jaar geleden besprak ik “van  Venus tot Madonna”, van Annine van der Meer.

Nu is er een vervolg op dat boek verschenenVenus is geen vamp”.

Op de site van BOL vond is de recensie van een deskundige, die ik graag overneem.

Reinier Katgert

 

 Venus is geen vamp

 

| Door: KarinHaanappel

| Instituut voor Vrouwelijke Kunstgeschiedenis

 

In 2006 verscheen het eerste boek van Annine van der Meer "van Venus tot Madonna - een verborgen geschiedenis". Voor het eerst werd een stuk verleden in kaart gebracht dat voor de meeste mensen "verborgen" is geweest: het Moederland ofwel Matriarchaat. Helaas waren alle noten, bibliografie en kleurenafbeeldingen niet in het boek opgenomen maar terug te vinden op een aparte website.
"Venus is geen vamp" is wat dat betreft een verademing: in het boek zijn de noten direct aan het eind van elk hoofdstuk opgenomen. Verder staat het boek vol (kleuren)afbeeldingen. Inhoudelijk is het een prachtige aanvulling op het eerste boek: in 2 delen komt het Moederland nog meer tot leven. In deel 1 wordt haarfijn uit de doeken gedaan waarom we de kunst uit de prehistorie aanduiden met de misleidende naam "Venuskunst" gevolgd door een overzicht van deze kunst. Heel verhelderend is dat alle kunstuitingen geplaatst worden in de context van de tijd waarin zij zijn gemaakt en alle bevindingen op wetenschappelijke basis zijn verkregen. Er blijken zelfs universele kenmerken te zijn die een “Venus-typologie” mogelijk maken. We leren 13 lichaamshoudingen kennen over een periode van zo’n 30.000 jaar. In deel 2 leer je de taal van het Moederland - de Moedertaal - weer spreken. Aan het eind van het boek is het zonder meer duidelijk: het vrouwloze beeld van de prehistorie zoals ons in de vaderlandse geschiedenis wordt voorgeschoteld is een patriarchaal verzinsel. De Oervrouwe was geen seksbom en haar kunst zeker niet pornografisch. De Venuskunst is sacrale voorchristelijke kunst gemaakt in een tijd dat de vrouw als hoogste godheid werd vereerd. Zowel Venus als haar kunst hebben alles te maken met leven, dood en wedergeboorte, een cyclus die verloren is gegaan in het vaderland. Met "Venus is geen vamp" krijgen we een groot deel van onze verloren geschiedenis weer terug. Het boek is een must voor iedereen omdat het ons beeld van Vrouw & Verleden herstelt!

Pluspunten: Toegankelijk, Compleet, Mooi vormgegeven, Inspirerend, Verrassend, Vernieuwend, bewustwording

 

 

 

Titel: Een ketterse catechismus

Auteur:Hein Stufkens

Uitgeverij Ten Have, Kampen

ISBN 978 90 259 5907 4

Uitgave 2008.

160 pagina’s, prijs € 16,90.

 

In de vorige Drie-luik kondigde ik al aan dat ik toch zeker het boek van Hein Stufkens: “Een ketterse catechismus” zou gaan lezen, waarvan de presentatie de oorzaak was dat Hein Stufkens en Annemiek Schrijver een brievenboek zouden schrijven met de titel: “Ik geloof het wel”.

Een ketterse catechismus, dat leek me wel wat.

Hein Stufkens is  filosoof, schrijver, dichter en leraar en heeft een groot aantal boeken op zijn naam staan.

 Uit de flaptekst:

De kerken gebruikten bij het geloofsonderricht de catechismus: een geschrift met vragen en antwoorden over de belangrijke levensvragen. Het gaf de waarheid weer zoals die er volgens de kerk uitzag. In de laatste vijftig jaar is die catechismus op de helling komen te staan. Bovendien hebben velen in het Westen de kerk sowieso de rug toegekeerd. Daarmee is er ruimte gekomen voor een eigentijdse en open spiritualiteit, in en buiten de kerken. Die ruimte benut Hein Stufkens. Daarbij dringt hij zijn eigen antwoorden niet op , maar moedigt hij de lezer aan zelf verder te denken. Hij vindt inspiratie in het multiculturele veelstromenland van de hedendaagse spiritualiteit. Maar ook de oude antwoorden uit de christelijke traditie leveren – mits nieuw verstaan – een vruchtbare bijdrage aan een spiritualiteit voor morgen.

 Hein Stufkens is opgegroeid binnen de katholieke kerk, waarbij de vragen en antwoorden van de catechismus bijvoorbaat waren geformuleerd. Ze stonden niet ter discussie en moesten uit het hoofd worden geleerd. Op dezelfde manier ging het vroeger toe binnen de reformatorische kerken.

Stufkens hanteert in zijn hoofdstukindeling eerst de bekende vragen vanuit de oude catechismus: Waartoe zijn wij op aarde?; Wat moeten wij geloven?; en Hoe moeten wij bidden? In de tweede helft van het boek komt hij los van de oude teksten en heten de hoofdstukken: Wat maakt ons heel?; Hoe loopt het met ons af?  En: Wat is het uiteindelijke lot van de mensheid en de aarde?

 De tekst op de achterkant van het boek is zeer waar: Stufkens dringt zich nergens op in het boek, maar nodigt inderdaad de lezer uit om zelf tot antwoorden te komen. Daartoe draagt hij allerlei materiaal aan, uit de geschriften van de oude en moderne  mystici, maar ook wijsheden uit het Oosten, uit het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het Taoïsme. Het aardige is dat hij daarbij absoluut geen omgevallen boekenkast is, maar heel selectief kleine stukje andersdenkendheid aanroert, zodat het allemaal heel goed te behappen is.

 Het sleutelhoofdstuk is in mijn beleving  hoofdstuk 4: Wat maakt ons heel? Deze vraag zal volgens mij zeker niet zo in de catechismus hebben gestaan (wat het equivalent ervan de in de oude catechismus is weet ik niet; deze formulering is wel echt van deze tijd.)

In dit hoofdstuk gebruikt hij 7 kernwoorden:

·         ontgiften

·         ontschuldigen

·         onthechten

·         ontdoen

·         ontmoeten

·         ontroeren

·         ontwaken

Ik denk dat het er niet voor niets 7 zijn!

In de keuze van deze 7 ont- woorden geeft Stufkens trouwens impliciet wel degelijk een duidelijk richting aan voor het denken over heelheid en geloof. Met name wat hij schrijft over ontmoeten en ontroeren is zeer lezens- en behartigenswaardig. Daar komt het heel eigene van Stufkens glashelder naar voren.

 Ik heb van het boek genoten, het heeft mij sterk aan het denken gezet en ik zou het eenieder willen aanraden!

 

Reinier Katgert

 

 

Titel: Ik geloof het wel

Auteurs: Annemiek Schrijver en Hein Stufkens

Uitg.Ten Have, Kampen

ISBN 978 90 259 6980 3

 Toen ik laatst bij Waanders was, lag bovengenoemd boek bij de reeks net verschenen boeken

En omdat ik al jaren een fan ben van het programma “het vermoeden”, waarin Annemiek Schrijver op zondagmorgen allerlei mensen interviewt over  hun geloofsbeleving/spiritualiteit, pakte ik het meteen op en bladerde er wat in.

Het is een brievenboek, ontstaan naar aanleiding van de “doop” van een vorig boek van Hein Stufkens: “een ketterse katechismus”. Hein had kennelijk Annemiek gevraagd die doop te verrichten. En daar is het plannetje ontstaan om een brievenboek  te maken over wat beide nog wel geloven en wat ze niet meer geloven.

 De titel is dan ook buitengewoon fraai dubbelzinnig: enerzijds: ik geloof het wel…….met andere woorden dat hele geloof kan me stolen worden, ik doe er niets meer mee; en anderzijds: ik geloof het wel in de zin van dat dit de restanten van mijn geloof nog steeds zijn, dat waarin ik nog wél geloof!

 Hein Stufkens is van huis uit Room Katholiek, met alles erop en eraan; misdienaar, communie en alles wat daar bijkomt. Maar dat allers heeft hij vopopr een groot deel achter zich gelaten en hij heeft zich verdiept in allerlei godsdienstige en sprituele stromingen, met name in het Boeddisme.

Annemiek Schrijver is oorspronkelijk streng gereformeerd, artikel 31, en zeer bekend met de tale Kanaansen het daarbij behorende zondebesef. Ook zij heeft dat verleden voor een groot deel van zich afgeschud en is nog steeds zoekende, met name in de hoek van het tibetaans boeddisme.

 Kortom een interessante ontmoeting van twee oorspronkelijk heel tegengestelde culturen.

 De opzet van het boek is dat Hein steeds over een onderwerp aangeeft hoe het bij hem gespeeld heeft, hoe hij er mee opgegroeid is en hoe dat dan tegenwoordig bij hem in elkaar steekt.

Het zijn beschouwende mini-essaytjes die wel heel dicht vanuit zijn eigen beleving toen en nu zijn geschreven. Zo vertelt hij bijvoorbeeld in het eerste hoofdstuk, dat gaat over de betekenis van de bijbel toen en nu, hoe hij een Bijbeltje gered heeft uit de as van de grote brand die destijds de sociale academie de Nijenburgh in Amersfoort vrijwel geheel in de as legde. Hij was daar gedurende vele jaren docent levensbeschouwing. Beschouwende stukjes dus, maar zeker niet afstandelijk!

 Annemiek Schrijver gaat steeds in op het essaytje van Hein; op haar geheel eigen wijze, kan ik wel zeggen. Ze doet het ook helmaal vanuit zichzelf met alle emotie die daarbij past. Ze is hevig zoekende, mede omdat er kennelijk een eind is gekomen aan de jarenlange liefdesrelatie. De passie en het brede gebaar spat van de bladzijden af, soms haast wat al te theatraal, maar dat maakt het juist weer buitengewoon levendig.

 Achtereenvolgend gaan ze in op de volgende onderwerpen: de bijbel, Jezus Christus, de Tien Geboden, het uitverkoren volk, genade, zonde, hemel en hel, geloof, hoop liefde, Maria en de kerk.

De stukken zijn  heel herkenbaar, en de opvattingen die er in staan zijn echt niet allemaal nieuw voor vrijzinnigen zoals wij, maar het is boeiend om te lezen hoe die opvattingen in de loop der jaren verschoven zijn, en langs welke processen dat is verlopen. 

Ik heb het met heel veel plezier gelezen, maar nu moet ik nog wel die ketterse catechismus kopen! De bespreking daarvan komt dan wel in een volgend nummer

 Reinier Katgert

 

 

 

Boek : Heidens Nederland: Zichtbare overblijfstelen van een niet-christelijk verleden.

Auteur: Dr. Judith Schuyf

Uitgever: Matrijs, Utrecht

ISBN: 90-5345-063-7

 De archeologe en historica Judith Schuyf heeft een alleraardigst boek geschreven over de resten van een heidens verleden die niet verdwenen zijn, na de kerstening in de middeleeuwen en vervolgens de calivinisering van Nederland.

 In een uitgebreide inleiding (deel 1 van het boek) bespreekt ze eerst de religie en cultussen in de romeinse tijd en het heidendom in de zesde en zevende eeuw,. Ze geeft een impressie van de Germaanse mythologie, en be4spreekt de dodencultus, het geloof in een hiernamaals , heiligdommen, de verering van de natuur, offers, toverij (amuletten, waarzeggers, voorspellers)en paarden-verering en zo meer.

In deel twee van het boek geeft ze een Catalogus van allerlei zichtbare overblijfselen.

Ze begint met oude heidense tempels: met  o.a. heilige bomen, offerstenen, duivelsstenen, klokputten  etc.

Vervolgens gaat ze in op de kerstening, via doop-bronnen en andere bron-sages, altaarstenen en heilige bergjes

Een uitgebreid hoofdstuk gaat over magie en ritueel: magie tegen ziekten (spijkerbomen, spijkeroffers, genezende putten, genezende stenen en genezende bomen); allerlei magie over waar de kindertjes van daan komen (kinderbomen, kinderputten kinderstenen etc.); kruisen (kruisen die na een moord zijn opgericht, hagelkruisen, wegkruisen).

 Tenslotte gaat het over recht en politiek: over vrijplaatsen, recht-stenen, gerechtsbomen, oude vergaderplaatsen, inhuldigingsplaatsen, grensbomen en grensstenen.

In drie overzichtelijk kaarten laat ze zien waar zich al die sporen van een heidens verleden zich bevinden.

 In deel twee worden alle hierboven aangegeven onderwerpen uitgebreid toegelicht, vaak met foto’s erbij, bijvoorbeeld van de tafelbergen bij Blaricum en bij Oud Valkeveen.

Fraai is de steen bij Holwierde in Groningen, war n de duivel zijn voetstap heeft achtergelaten, en de gesloten steen in hartje Utrecht bij de Oude Gracht: een grote kei die met een ketting aan een hoekhuis is vastgeklonken, het verhaal gaat dat de duivel en mijn maat kaatsebal aan het spelen waren met die kei en als ze verkeerd gooiden dan dreunden alle huizen. Dat werd de burgers teveel en ze organiseerden een processie om de duivel te verjagen, die in de grqacht verdween, maar voor de zekerheid werd de steen vastgelegd. De steen wordt al in het jaar 1520 vermeld.

 Uiteraard staat de lapjesboom bij de Sint Walrick-kapel in Overasselt er ook uitgebreid in. Die oude eik hangt tot op de dag van vandaag helemaal vol met lapjes waarmee men de koorts hoop af te binden. Omdat de onderste takken inmiddels bijna te hoog zijn om er goed bij te kunnen bindt men tegenwoordig ook lapjes aan de ernaast staande vlierboom!

De auteur geeft ook de legenden weer die bij de boom horen.

 Bij een groot aantal van de beschreven bergjes, bomen, ,ruisen en ander bezienswaardigheden geeft de auteur ook een routebeschriving om er naar toe te gaan.

 Kortom een alleraardigst boekje met veel wetenswaardigheden.

 Helaas kom ik er na het schrijven van het bovenstaande achter dat het inmiddels is uitverkocht, maar dat betekent niet dat het niet te vinden zou zijn bijvoorbeeld via Boekwinkeltjes.nl.

 

Reinier Katgert

 

 

Geheimen van Maria Magdalena

Auteurs: Dan Burnstein en Arne J. de Keijzer

Uitgave Servire , ISBN 978-90-215-8237-5

 Dan Burnstein en Arne J. De Keijzer zijn twee amerikanen (inmiddels ook zakenpartners) die beroemd zijn geworden door hun twee vorige boeken: Secrets of the Code (de geheimen van de Da Vinci Code) en Secret of Angels and Demons (de Geheimen van het Bernini-Mysterie).

In deze twee boeken geven ze allerlei informatie over de stand van de wetenschap over de punten die door Dan Brown in deze twee boeken werden gepresenteerd.

 Ook in dit boek verzamelen ze weer allerlei meningen over allerlei aspecten van Maria Magdalena, zonder commentaar: ze presenteren alleen de meningen van de verschillende wetenschapers.

En ze hebben nogal wat grote namen verzameld: Elaine Pagels (wellicht de grootste kenner van gnostische evangeliën ter wereld) schreef de inleiding. Er staat en interview in met Margaret Starbird ( auteur van “the Woman with the Alabaster Jar”), Karen L. King, die ook veel over Maria Magdalena heeft gepubliceerd, de bijbelhistoricus Bart Ehrman en nog een hele reeks andere hoogleraren.

 Het boek is opgezet langs een aantal thema’s, die steeds in een aantal artikelen worden uitgewerkt. Dat maakt het geheel zeer afwisselend en boeiend.

Die thema’s zijn:

1.  Maria Magdalena: geen paria meer

2. Vrouwentradities en het heilige omarmen

3. de apostel der apostelen worden

4. Maria Magdalena: aan de kant geschoven, “verhoereerd” en “op haar plaats gezet”

5. het Maria Magdalena rondetafelgesprek (een gesprek tussen 5 van de vrouwelijke auteurs van het boek)

6. het Maria Magdalena mozaïek

7. de Maria Magdalena van legende en overlevering

8. Haar verhaal vandaag: Maria Magdalena in de volkscultuur

9. Maria door en door modern: een Maria Magdalena voor de 21ste eeuw.

 De meeste bijdragen zijn speciaal voor dit boek geschreven.

 Het geheel wordt gecomplementeerd door beschrijvingen van de auteurs en hun werk en een uitgebreide “Maria Magdalena boekenplank” met suggesties voor verdere lezing en/of studie.

 Er ontbreken natuurlijk ook een aantal namen, vooral omdat het research-team voornamelijk de bijdragen hebben gezocht uit het Amerikaanse wetenschappelijke wereldje. We missen uiteraard Ester de Boer, die jaren geleden een proefschrift schreef over Maria Magdalena en Jacob Slavenburg, de schrijver van “de vrouw die Jezus liefhad”.

Ook zou ik graag bijdragen hebben gezien van de australische theologe Barbara Thiering (de auteur van o.a. “Jesus the Man”) Laurence Gardner (de schotse genealoog die “the Magdalen Legacy”schreef) en de engelsen Timothy Freke  en Peter Gandy, (auteurs van oa. “de Mysterieuze Jezus” en “Jezus en de verloren Godin”).

Gelukkig worden deze auteurs wel genoemd in het overzicht dat Arne J. De Keijzer van de literatuur geeft. Bizonder is wel dat een artikel is opgenomen van de Amerikaanse onderzoeksjournaliste Kathleen McGowan, die een paar jaar geleden een roman schreef  met als titel “het Maria Magdalena-mysterie” waarvan inmiddels een vervolg is verschenen en een derde deel is aangekondigd. (Treurig detail hierbij is dat zij, omdat ze nadrukkelijk stelt dat Jezus en Maria Magdalena getrouwd waren, ze inmiddels met de dood is bedreigd en heeft moeten onderduiken!)

 Zoals gezegd: de samenstellers laten de auteurs voor zichzelf spreken en geven geen eigen oordeel over de artikelen. Er staat wel heel veel in (het boek bevat ruim 300 pagina’s).

Aardig om hier te vermelden is wel dat de plaats Magdala pas veel later is ontstaan dan in de tijd van Jezus (net als Nazareth trouwens) en dat volgens Margaret Starbird en Laurence Gardner de term magdalena een soort koninklijke eretitel was, afgeleid van “magdal eder”, hetgeen zoiets betekent als “wachttoren of hoeder van de kudde”; dus beschermer van het volk.

 Voor wie zich breed in Maria Magdalena wil verdiepen is dit een absolute aanrader!

 Reinier Katgert

 

 

De Bijbel als mythe

(opgravingen vertellen een ander verhaal)

Auteurs: Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman

Uitgeverij Synthese

ISBN 978 90 6271 951 8

De achterkant van het boek:

Zoekend naar het gelijk van de bijbel vonden 2 joodse archeologen een andere werkelijkheid. Finkelstein en Silberman hebben een fascinerend boek geschreven naar aanleiding van het meest recente archeologische onderzoek naar de vroege geschiedenis, zoals wij die kennen uit de bijbel. Het was niet de bedoeling om de betrouwbaarheid van de bijbelteksten te testen, maar om de verhouding tussen die teksten en de archeologische vondsten in het juiste licht te plaatsen. Finkelstein en Silberman laten het verhaal zien dat de stenen vertellen; maar dat is wel een ander verhaal dan we in het Oude Testament aantreffen.

Dit boek laat zien dat de nakomelingen van David de geschiedenis herschreven vanuit politieke en ideolo9gische overwegingen. De restanten die in de bodem werden aangetroffen vertellen het werkelijke verhaal. Wars van enige sensatie beschrijven Finkelstein en Silberman hoe bijbelse fictie en historische werkelijkheid met elkaar verweven raakten.

Fascinerend is het boek zeker voor wie (nog) niet goed thuis is in de ontstaansgeschiedenis van de Bijbel en met name die van het Oude Testament. (want daarover gaat het uitsluitend in dit boek).

Dat de verhalen over de aartsvaders merendeel fictie waren, mooie mythen, dat kan je op je vingers natellen, maar de er archeologisch geen enkel bewijs is voor de uittocht uit Egypte , ja dat zelf de tempel van Salomo nooit heeft bestaan, dat was nieuw voor mij.

Dat is niet alleen het resultaat van jarenlang graven en spitten,maar ook van de bestudering van geschriften uit aanpalende culturen (bijvoorbeeld Babylonische kleitabletten en hiërogliefen in Egypte), en van paleo-demografisch onderzoek.

Het blijkt dat in de tijd van David en Salomo Jeruzalem maar een heel klein hoofdstadje was van een dan tamelijk onbetekenend rijkje, Judea. Het werkelijke centrum van de macht (en van de economie) lag in het oude Israël, ten noorden van Judea.

Er is dan wel geen reden om te twijfelen aan de koningslijsten die in de Bijbel opgesomd zijn, en zelfs nauwelijks aan de daarbijbehorende jaartallen, maar wel aan het belang dat David en Salomo hadden en aan de status van hun koninkrijk. Rond de 7e eeuw voor Christus zijn die verhalen vanuit het perspectief van Judea, dat heel lang het armetierige broertje van Israël was geweest, herschreven en vooral verfraaid, om dat toen eindelijk  Judea het een beetje voor het zeggen begon te krijgen.

Dat blijkt bijv. ook uit het verslag van de verovering van Kanaan na de tocht door de woestijn. Jozua verwoest de steden die toen in de 7e eeuw de grenssteden van Israël waren! (en die in de voor-davidische tijd helemaal niet of nog nauwelijks bestonden!)

Voor de tempel van Salomo is dus geen enkel bewijs te vinden en de zogenaamde stallen van Salomo in Megiddo zijn honderden jaren later gebouwd.

Zo staat het boek vol met voorbeelden van enerzijds gebrek aan vondsten en anderzijds een overvloed aan vondsten die een hele andere interpretatie aan het verhaal geven.

Het aardige van het boek is dat de auteurs ondanks hun uiterst kritische houding over de vondsten en de “ondergraving” van de bijbel die daar het gevolg van is, zou buitengewoon liefdevol spreken over de bijbel als boek, als literaire neerslag van de geschiedenis van een volk, en als een boek vol wijsheden en verhalen die er ook vandaag de dag nog toe doen.

In die zin ondergraven zij niets van de waarde van het oude Testament voor de lezer van vandaag.

 

Reinier Katgert

 


“Misquoting Jesus”

door: Bart D. Ehrman 2005.

Uitg.: Harper San Francisco

ISBN 978-0-06-0738174

Bij een kennis lag dit boek op tafel, en ik werd er meteen nieuwsgierig naar.

Op de achterflap staat (mijn vertaling):

Misquoting Jesus is een fascinerend verhaal over de kopiisten die de Griekse manuscripten van het Nieuwe Testament schreven; over de geleerden die deze duizenden manuscripten gebruikten om de beste teksten vast te stellen en over bijbelvertalers die hun  werk gebruiken om de moderne hedendaagse vertalingen te maken.

Het5 is inderdaad een fascinerend boekgeschreven door iemand die uit de ultra conservatieve christelijke hoek komt. In zijn Episcopaalse gemeenschap was de Bijbel het door God gedicteerde letterlijke heilige woord, waar absoluut niet aan getornd kon worden. Hij ging naar een oerconservatieve theologische opleiding, maar heel langzaam kwam bij hem het vraagteken te staan bij de vraag: hoe zien die oorspronkelijk teksten er dan eigenlijk uit, die zouden dan allemaal hetzelfde moeten zijn…….

Hij begint Hebreeuws Latijn en Grieks te leren en ontdekt zo de ontstaansgeschiedenis van wat wij nu de Bijbel noemen. En zo ontdekt hij ook dat het volstrek duidelijk is dat sommige teksten helemaal niet in de Bijbel horen!

 Eerst vertelt hij het verhaal hoe de eerste versie s van de evangeliën werden overgeschreven door amateurs, gewoon mensen die konden schrijven, een boek in handen kregen en het ook zelf wel wilden hebben. Pas na een paar honderd jaar ontstonden er de eerste (beperkte) scriptoria waarin systematisch boeken werden gekopieerd. De kopiisten werden daardoor ook steeds professioneler.

 En dat professionele kopiëren is doorgegaan tot de uitvinding van de boekdrukkunst. Maar soms ging dat kopiëren even niet zo professioneel.

In de oudste Griese versie van het nieuwe testament komt het verhaal van de overspelige vrouw (wie zonder zonden is werpe de eerste steen) (Joh. 7:52 – 8:12) helemaal niet voor. Het is een prachtig verhaal, waarschijnlijk uit de mondelinge traditie die er ook rond Jezus heeft bestaan, maar het is waarschijnlijk eerst een aantekening in de kantlijn geweest door een monnik die het verhaal kende en en bij schreef. Later is die “glosse gekopieerd door anderen maar op veel verschillende plekken. Het komt in andere handschriften voor na Joh. 21:25 en ook wel na Lukas 21:38.

De woorden die erin worden gebruikt komen nergens anders in het evangelie voor, de zinsbouw klop van geen kant en een ding is duidelijk: Johannes heeft het niet geschreven.

 Zo geeft hij tal van voorbeelden van verzen in de Bijbel die alleen maar veel later toevoegingen kunnen zijn. Bijvoorbeeld Lucas 22: 43-44 over Jezus bij wie het angstzweet uitbreek in de hof van Gethsemane. Ook dat verhaal wordt verteld met woorden die in het evangelie verder niet voorkomen, maar nog belangrijker is: het hele verhaal heeft een zgn. chiasmische structuur: Dit betekent dat de volgorde van de woorden en handelingen in de scène eerst wordt gegeven en vervolgens wordt omgedraaid: a-b-c-d-c-b-a. Daar past het bloedzweten helemaal niet tussen het is duidelijk een Fremdkörper van later datum.

 Naast deze duidelijke voorbeelden vertelt hij de geschiedenis van het kritische Bijbelonderzoek. Zo blijkt dat de officiële Engels Bijbel geheel gebaseerd is op een vertaling die Erasmus heeft laten drukken in het begin van de 16e eeuws. Helaas gebruikte Erasmus een Grieks handschrift dat nu als absoluut inferieur wordt beschouwd en daar waar hij er niet uitkwam vertaalde hij de Latijnse versie maar terug in het Grieks!

 Hij vertelt ook over de tekstuitgaven met Hebreeuwse, Latijnse en Griekse versies in kolommen naast elkaar ( in de 17e eeuw al), waardoor er enorme lijsten van duizenden verschillen konden worden opgesteld  (en wat was nu de ware tekst?).

 Ook verklaart hij waarom allerlei wijzigingen inde teksten werden aangebracht: slordigheden; wijzigingen om de gnostische kritiek te weerleggen; wijzigingen om de kritiek van heidenen te weerleggen; wijzigingen om de kritiek van ander ketters te weerleggen (bijv. va de Arianen) en zo meer.

 Kortom, voor de geïnteresseerde leek een uiterst boeiend boek om te lezen, en nog makkelijk geschreven ook.

Dat Ehrman het geloof van zijn vaderen achter zich heeft gelaten moge duidelijk zijn.

 Reinier Katgert

 

 

Boek: de Naardense Bijbel.

vertaald door: Piet Oussoren

Uitg.: Skandalon & Plantijn

ISBN: 90 76564 12 4

 Dat staat eigenlijk wel vreemd: de recensie van de leek over de Bijbel….., maar toch moet het maar even, omdat het hier niet zozeer gaat om de inhoud van de Bijbel, maar over de vertaling. Eind 2004 kwam de inmiddels beroemde nieuwe vertaling van de Bijbel van het NBG uit., waaraan honderden geleerden, dichters en schrijvers hadden meegewerkt. Alom bejubeld (hier en daar verguisd) en zelfs  Boek van het Jaar geweest in de verkiezing van de NS.Wat veel minder de aandacht kreeg was de verschijning tezelfdertijd van de Naardense Bijbel, het monnikenwerk van Pieter Oussoren, die de Bijbel op zijn geheel eigen wijze had vertaald, door zo dicht mogelijk bij de grondtekst te blijven.In de officiële recensies daarover werd de kracht van de taal geroemd, eenvoudig, dichterlijk en van een heel eigen ritme en kracht. Maarten ’t Hart was er lyrisch over.

 Een poos geleden kreeg ik er een foldertje over en daarin stond als voorbeeld de tekst van het scheppingsverhaal, ik was zeer onder de indruk, maar ja, het is wel een uitgave (67 euro!), dus dat doe je als leek maar niet meteen. Toch moest ik er een kopen , want onze voorgangers hadden er om gevraagd; Theo Somsen gebruikte hem, Aart van Lunteren wilde er uit lezen, maar we hadden hem nog niet, dus als Bestuur van de afdeling besloten we er een aan te schaffen voor de predikanten, voor “op de kansel”, om het zo maar eens te zeggen.

Ik ben er thuis maar in gaan lezen en was meteen verkocht! Dit is zo anders, zo mooi, zo poëtisch, met zo’n zeggingskracht dat de hele nieuwe vertaling er bij verbleekt!  Iemand had me al verteld dat zijn vrouw hem aangeschaft had, en dat hij er spontaan in was gaan lezen en het prachtig vond. Die ervaring deel ik, en ik heb er meteen zelf ook maar een gekocht.

Als voorbeeld geef ik hier een stuk uit Genesis 1 in de vertaling van Oussoren:

 

Sinds het begin is God schepper,-

van de hemelen en de aarde.

De aarde

is woestheid en warboel geweest,

met duisternis op het aanschijn 

 van de oervloed,-

maar de adem van Dod reeds

wervelend over het aanschijn van het water.

Dan zegt God: kome er licht!-

er er kómt licht.

God ziet het licht aan: ja, het is goed!

Zo brengt God scheiding aan

tussen het licht en de duisternis.

God roept tot het licht ‘dag’

en tot het duister heeft hij geroepen ‘nacht’;

er komt een avond en er komt een ochtend:

 één dag.

 

Dit is heel iets anders dan in de normale vertaling.

De kracht zit vooral ook in de ritmiek van de strofen; hij heeft de strofen van de oorspronkelijke tekst aangehouden, waardoor die vreselijk tekstblokken uit de officiële vertaling zijn verdwenen. Dat leest beduidend gemakkelijker en maakt het veel poëtischer. Dit geldt in haast nog sterkere mate voor zijn hertaling van de psalmen. Ik zocht meteen naar het begin van Psalm 103, de psalm waarmee mijn grootvader altijd de maaltijd besloot als wij bij hem waren (het is zo ongeveer het enige stukje uit de bijbel dat ik daardoor uit mijn hoofd ken).

 In de Naardense klinkt het zo:

 

Zégen, mijn ziel, de Éne,

al wat in mij is:

zijn héilige náam!

 

Zégen, mijn ziel, de Éne,

en vergeet nóoit

al wat hij volbréngt!-

 

die vergévend is voor al je ónrecht,

die genézend is

voor ál je zíekten

 

die verlost uit de gróeve je léven,

die je omkranst

met vríendschap én ontférming;

 

die verzadigt met het góede

  je verlángen,

nieuw wordt als de árend je jéugd.

 

Doende met geréchtigheden is de Éne,

en met réchten

voor alle verdrúkten.

 

Ik vind het prachtig; het nodigt uit om hardop gelezen te worden met die uitspraak-accenten!!  En vooruit nog eentje dan: het begin van het Johannes-evangelie.

 

Sinds het begin

is er het spreken;

ja God zelf is dat spreken;

het is er sinds het begin,

God zo nabij;

alles geschiedt daardoor

en buiten dat om

geschiedt er niet een ding

dat is geschied.

Daardoor is er leven,

en dat leven is

het licht der mensen;

het licht schijnt in de duisternis;

de duisternis heeft het niet opgenomen.

 

Wat hierbij opvalt is ok het gebruik van de tegenwoordige tijd in plaats van de verleden tijd (in den beginne was het woord en het woord was bij God). Dat geeft een heel andere dimensie aan de tekst, die daardoor op mij veel indringender overkomt.

 Kortom, ik vind het prachtig! Ik zal hier zeker veel vaker uit mijzelf naar grijpen dan naar de officiële vertaling, gewoon om een stukje te lezen en te kijken wat hij er van heeft gemaakt en wat er dan dus werkelijk staat. Want allerlei oude vertaalfouten zijn er natuurlijk uitgehaald (Eva komt niet meer uit een rib, maar uit de zijde van Adam, en zo zijn er nog vele ander voorbeelden).

Aan het eind van het boek worden toelichtingen gegeven op de manier van vertalen, de wijze van omgaan met zinsbouw, de woordspelingen, de mensen die Oussoren hebben geholpen door mee- te lezen. En er is ook een toelichting op genomen over de illustraties in het boek: afbeeldingen van de gewelfschilderingen in de Grote Kerk van Naarden.

 Reinier Katgert

 

Van Venus tot Madonna, een verborgen geschiedenis.

Auteur: Dr. Annine van der Meer

Uitgave: Synthese  ISBN 90-6271- 94-5

 

Uit de flaptekst:

Het boek is een speurtocht naar een verborgen moederland, een vervlogen tijd waarin moeders en vrouwen nog respect genieten en in harmonie leven. “omdat God als het ware is doodgegaan toen het vrouwelijke del van hem zoekraakt, is er een verharding in de mens ontstaat.” aldus Annine van der Meer.

Aan de hand van archeologie , kunst, mythen en hymnen onderzoekt ze het land waarin iedereen God de Moeder kende toen zijn nog niet zoals in de latere ‘vaderculturen’ was zoekgeraakt. Van moeder wordt God een vader, moederland wordt vaderland; de omslag en de oorzaken hiervan worden op een heldere en meeslepende wijze beschreven. De moeder zelf raakt meer en meer verborgen, want in vaderculturen is zij niet gewenst. “En met haar worden haar hemelse en aardse dochters geestelijk en fysiek gekrenkt, veracht, verkracht , verminkt en vermoord.”.

Toch leven de symbolen van de verborgen moeder verhuld en versluierd voort. In dit boek leer je zeer kennen. Het herkennen van de symbolen van de verborgen moeder (en haar dochters) maken het in de vadercultuur verharde hart weer zacht. De verborgen moeder is niet dood, zij leeft! Lees hoe zij als het ware opnieuw geboren wordt in deze tijd.

 

Het boek van Annine van der Meer is een dik boek, op een paar pagina’s na 500 bladzijden! Maar het leest heerlijk weg, mede ook door de vele illustraties die er in staan. Annine van der Meer is theoloog en godsdiensthistoricus en deed onderzoek naar Sophia in joden- en christendom en islam. Een paar maanden geleden was ze te gast in het zondagochtend-programma “Het Vermoeden” van de IKON , waarin Annemiek Schrijver eens in de 14 dagen praat met mensen die op theologisch/godsdienstig gebied iets bijzonders te melden hebben. (Een bijzonder programma, dat ik iedereen aan kan raden, het is om de week om 11.00 uur op Nld 1 te bekijken!)

In die uitzending was ze met Annemiek Schrijver in gesprek over het nu te bespreken boek, en dat trof mij dusdanig, dat ik het meteen maar besteld heb. En het is de moeite en kosten meer dan waard.

Ze begint haar verhaal bij de duizenden prehistorische vrouwenbeeldjes die in heel de oude wereld gevonden zijn.  Wat ik nog kende van vroeger als de “venus van Willensdorf”, was helemaal geen “venus”, maar een moedergodin en al die beeldjes tezamen geven het beeld dat oorspronkelijk alleen de moedergodin aanbeden werd (er zijn vrijwel geen mannenbeeldjes gevonden). Haar verhaal start op Malta, waar ook heel veel van die beeldjes zijn gevonden, waarvan de mooiste in het museum van Valetta ten toon worden gesteld. Vier jaar gelden was ik op Malta en voor mij was het een feest der herkenning, maar nu ineens in een heel andere context, door de mythen van Malta die Annine er bij vertelt.

Aan de hand van de geschiedenissen van de moedergodinnen van Anatolië, Artemis van Efese, de prehistorische moedergodinnen van Europa, en ook die van Egypte en Mesopotamië gaat ze de geschiedenis van die godinnen na en vertelt ze hoe ze door krijsgoden en dondergoden van indringende volken worden verdrongen zodat uiteindelijk de mannelijke goden de baas worden.

En daar gaat dan een wereld voor je open, want wat wij op school geleerd hebben als zijnde “de Griekse mythologie”  bijvoorbeeld, is niet “de mythologie”, maar een heel late beschrijving van de godenwereld zoals die uiteindelijk door de Grieken is vastgelegd. Maar daaraan vooraf gingen heel andere mythologieën en hiërarchieën van goden, waarin de moedergodin wel degelijk centraal stond. De Olympische Oppergod Zeus blijkt zo niets anders dan een usurpator die zijn moeder (Gaia) en zijn zusters van hun plaats gedrukt heeft. En zo is het in vele andere godsdiensten in het nabije Oosten gegaan: vreemde mannengoden (meestal strijd- en dondergoden zoals bijvoorbeeld Baal) verdrongen langzaam de oorspronkelijke moedergodinnen.

Ook Israël (en daarvóór Kanaän) heeft oorspronkelijk een moedergodin gehad, Asjera, die op één enkele plaats letterlijk als vrouw van JHWH terug gevonden kan worden maar op andere plaatsen via haar symbolen nog terug te vinden is in de Bijbel. Maar ook zij werd verdrongen.

In de gnosis had met name Sophia een heel belangrijke plaats, soms als moeder van God, soms als zijn zuster of als zijn dochter  ( zo ging het vaak in de ontwikkeling: eerst was “de Godin” de moeder van de God, later werd ze zijn vrouw, en nog weer later zijn dochter).

 

Je ziet de ontwikkeling ook in de rol van de priesteressen, zij deden eerst de erediensten, waren de geletterden, maar worden met de opkomst van de mannelijke goden verdrongen door de priesters, en uiteindelijke worden ze zelfs onderdrukt: in vele culturen mogen vrouwen uiteindelijk niet meer leren lezen en schrijven en worden wetten uitgevaardigd die vele malen strenger zijn voor vrouwen dan voor mannen. Blijft over als symbool dat de mannelijke priesters veelal hun erediensten verrichten in vrouwenkleren!

 

Aan het eind van het boek gaat de schrijfster uiteraard ook nog in op de rol van Maria in vergelijking met de rol van de oermoeder en op de rol van Maria Magdalena als dochter van Sophia.

 

Kortom een buitengewoon interessant boek dat vol staat met noten die verwijzen naar vindplaatsen en naar verdere verduidelijkingen.Het nieuwe voor mij daaraan was echter dat die noten niet achterin het boek staan, maar apart besteld moeten worden samen met de appendixen met landkaarten van vindplaatsen, de geraadpleegde literatuur en de index op het boek. Samen blijken dat 200 pagina’s A-4 te zijn, dus als ze dat hadden moeten opnemen in het boek zelf, dan was dat nog eens 300 pagina’s dikker geworden en navenant duurder. Nu moet je voor het noten- en ander bijgevoegd materiaal nog eens 20 Euro bijbetalen, maar dat had ik er graag voor over.

 

Reinier Katgert

 

Titel: De vrouw die Jezus liefhad.

Auteur: Jacob Slavenburg

Uitg. Walburg Pers, 160 pag. ISBN 90 5730 396 5

 

Uit de flaptekst:

Maria Magdalena was geen prostituee. Integendeel, ze was een ingewijde, een ‘vrouw die het Al kent’, zoals pas ontdekte bronnen over haar verhalen. Ze onderwee als apostola apostolorum (apostel der apostelen) de mannelijke apostelen, haar broeders. En ze was de geliefde van Jezus. Veel is er over haar geromantiseerd. In de Bijbel is ze bijkans weggeschreven en in de kerkelijke traditie tot zondares gemaakt. Recentelijk ontdekte bronnen geven een totaal ander beeld.  In dit boek laat Jacob Slavenburg zien dat Maria Magdalena niet de eerste vrouw is in de geschiedenis van het jodendom en christendom die ‘weggeschreven’ is. Het vrouwelijke is lange tijd door veel religies als bedreigend gezien, verdacht gemaakt en weggedrukt.

 In het spoor van de Da Vinci Code van Dan Brown verschijnen er talloze boeken die verder ingaan op de these dat Jezus en Maria Magdalena getrouwd zouden  zijn geweest. In de Volkskrant van 9 juni werden er liefst 3 tegelijk besproken, het bovengemelde boek van Jacob Slavenburg, een boek van Esther de Boer: ‘ de geliefde discipel’ en een boek van Lisette Thooft: ‘Jezus en Maria Magdalena, een mythe van liefde en vrijheid’.

 Vreemd is dat die pas ontdekte bronnen nog steeds de Nag Hammadi teksten blijken te zijn, die inmiddels op een haar na 60 jaar gelden zijn gevonden in Egypte, kennelijk is dat voor het grote publiek nog zo nieuw, dat ze “pas ontdekt” heten.

 Het boek van Slavenbur is een genot om te lezen, vooral omdat hij ook veel (korte) fragmenten van fictie er in citeert, van Marianne Frederikson (Maria Magdalena) tot Margaret Starbir (De vrouw met de albasten kruik).

 Maar bovenal is het boek van Slavenburg toch een getrouwe wetenschappelijke verhandeling over de staat van het onderzoek naar deze fascinerende vrouw. met citaten uit de vroegst geschriften.

 Maria Magdalena, zo wordt overtuigend aangetoond, was hoogstwaarschijnlijk de vrouw van Jezus, en het verhaal over de bruiloft in Kana een verhaal over Jezus eigen trouwerij. (niet voor niets toonde Schalom Ben Chorin als in 1973 overtuigend aan dat een rondreizende rabbi in die tijd onmogelijk niet-getrouwd kon zijn!). Maria Magdalena was waarschijnlijk de enige echte “ingewijde” in de mysterie-godsdienst die Jezus predikte. In die zin sluit Slavenburg ook dicht aan op het door mij eerder besproken boek “de mysterieuze Jezus” van Freke en Gandy, die er van uitgaan dat Jezus’ leer een mysterie-leer is geweest.

 Het boek verhaalt over de “move” van paus Gregorius die in de 7e eeuw verschillende Maria-figuren tot één Maria liet versmelten, waardoor Maria Magdalena ineens een hoer en zondares werd; een  move waar de katholieke kerk pas aan het eind van de vorige eeuw afstand van heeft genomen.

Aan het eind van het boek gaat Slavenburg nader in op het beeld van Maria Magdalena als beeld van de moeder-godin en wijsheids-beeld (Sophia). Daar nadert hij heel nadrukkelijk tot de beschrijving die Anine van der Meer geeft in haar boek “van Venus tot Madonna” van de ontwikkeling van de oer-moeder godinnen uit de prehistorie naar een patriarchale god, met een steeds toenemende ontkenning van het vrouwelijke in de religie. 

Kortom. een voortreffelijk boek, dat uitnodigt tot verder verdieping.

 

Reinier Katgert

 

eerder gepubliceerde recensies: klik hier